Personal – Cedric's Cruft http://www.ce3c.be Yet another blog about ... stuff. Fri, 04 Jul 2014 23:13:03 +0000 en-US hourly 1 https://wordpress.org/?v=5.1.12 Teksten Latijn: Cicero, Tusculanae disputationes, liber V §1-11 http://www.ce3c.be/99-teksten-latijn-cicero-tusculanae-disputationes/ http://www.ce3c.be/99-teksten-latijn-cicero-tusculanae-disputationes/#comments Sun, 14 Jun 2009 19:19:35 +0000 http://www.ce3c.be/?p=99 Opnieuw een vertaling van één van de teksten. Ze blijft redelijk dicht bij het Latijnse origineel 😉

Cicero, Tusculanae disputationes, liber V §1-11

1) Deze vijfde dag, Brutus, zal een einde maken aan de Tusculaanse gesprekken, de dag waarop er door ons is gediscussieerd over dat onderwerp dat jij van alle onderwerpen het meest waardeert. Ik heb immers gemerkt dat het jou ten volle aanstaat zowel op grond van dat boek dat je zeer nauwgezet naar mij geschreven hebt, als op grond van jouw vele gesprekken, dat de virtus aan zichzelf genoeg heeft om gelukkig te leven. Hoewel het moeilijk is dat goed te keuren wegens de zo verschillende en zo vele kwellingen van het lot, is het toch van die aard dat men moeite moet doen om het des te makkelijker goed te keuren. Er is immers niet van alles dat in de filosofie behandeld wordt dat ernstiger en schitterender genoemd wordt.

2) Want aangezien deze zaak hen die zich als eersten aan de leer van de filosofie wijdden ertoe heeft aangezet om zich geheel te verdiepen in het zoeken naar de beste levensomstandigheden na alle problemen achteruit te stellen, hebben ze zeker en vast zo'n grote zorg en moeite besteed aan die studie in de hoop om gelukkig te leven. Indien ze de virtus uitgevonden hebben en vervolmaakt hebben en als er voldoende bescherming is in de virtus om gelukkig te leven, wie is het dan die meent dat het werk van het filosoferen niet op een schitterende wijze zowel door hen is gegrondvest als door ons is overgenomen? Maar indien de virtus onderworpen is aan verscheidene en onzekere lotgevallen als slavin van het lot en ze niet zo'n grote krachten heeft dat ze zichzelf kan beschermen, vrees ik dat we niet zozeer moeten steunen op het vertrouwen in de virtus in de hoop om gelukkig te leven, dan wel dat we schijnbaar moeten verlangen om gelukkig te leven.

3) Wanneer ik evenwel bij mezelf die lotgevallen overweeg waarbij het lot me hevig heeft gekweld dan begin ik soms deze stelling te wantrouwen en bang te worden voor de zwakheid en broosheid van het menselijk geslacht. Ik vrees immers dat de natuur, toen ze aan ons zwakke lichamen gegeven had en daaraan zowel ongeneeslijke ziektes als ondraaglijke pijnen had toegevoegd, ons ook geesten gegeven heeft die zowel onderhevig zijn aan lichamelijke pijnen als afzonderlijk nauw verbonden zijn met hun eigen angsten en pijnen.

4) Maar op dit punt berisp ik mezelf namelijk dat ik een oordeel vel over de kracht van de virtus op grond van de zwakheid van anderen en misschien op onze zwakheid en niet op grond van de virtus zelf. Die immers, als er tenminste iets is zoals de virtus, een twijfel die jouw oom, Brutus, weggenomen heeft, houdt alles wat op een mens kan vallen onder zich (relativeert alles wat een mens kan overkomen), en terwijl ze daarop neerkijkt, minacht ze de menselijke lotgevallen en terwijl ze vrij is van elke fout, meent ze dat niets op haar betrekking heeft behalve haarzelf. Wij echter, vergroten al onze tegenslagen door angst zowel wanneer ze op ons afkomen als wanneer ze er zijn door onze droefheid, en we veroordelen liever de natuur der dingen dan onze eigen vergissing.

5) Maar elke verbetering van zowel deze vergissing als van onze overige gebreken en fouten moet gevraagd worden aan de filosofie. Toen onze wil en belangstelling ons van jongsaf aan gedreven had naar haar geborgenheid, hebben we in deze zware lotgevallen onze toevlucht gezocht naar dezelfde haven waaruit we weggevaren waren nadat we heen en weer geslingerd waren door de zware storm. O filosofie, leidster van het leven, naspeurster van de virtus en verdrijfster van de ondeugden! Wat zouden niet alleen wij, maar in één woord het leven van de mensen kunnen geweest zijn zonder jou? Jij hebt steden voortgebracht en  hebt verspreidde mensen samengeroepen in een levensgemeenschap, jij hebt ze onderling verbonden, eerst met woningen, vervolgens met huwelijken en dan met een gemeenschappelijk schrift en taal, jij bent de uitvindster van de wetten geweest, de meesteres van de zeden en de wetenschap, tot jou zoeken we toevlucht, aan jou vragen we hulp, aan jou leveren we ons over, zoals vroeger grotendeels, zo nu door en door en helemaal. Eén dag echter die goed en volgens jouw voorschriften is doorgebracht, moet men verkiezen boven de onsterfelijkheid van diegenen die fouten maken. Wiens hulp zouden we dus liever gebruiken dan die van jou? Jij die zowel de rust van het leven geschonken hebt en de angst voor de dood weggenomen hebt.

6) En in plaats daarvan dat de filosofie in elk geval geprezen wordt in dezelfde mate als ze zich verdienstelijk gemaakt heeft tegenover het leven van de mensen, is ze veeleer door de meesten verwaarloosd en wordt ze door velen zelfs afgekeurd. Durft iemand de ouder van het leven te berispen en zich bezoedelen aan oudermoord en zo goddeloos ondankbaar te zijn om haar te beschuldigen die hij zou moeten vrezen zelfs als hij haar niet minder had kunnen begrijpen? Maar, zoals ik meen, bestaat deze vergissing en deze dikke nevel die zich uitgebreid heeft over de geesten van ongeleerden, omdat ze niet zo ver kunnen terugkijken en omdat ze niet menen dat diegenen door wie het leven van de mensen als eerste onderricht is, filosofen geweest zijn.

7) Hoewel we zien dat die zaak zeer oud is, toch bekennen we dat de naam recent is. Want wie kan weliswaar ontkennen dat de wijsheid zelf niet alleen in werkelijkheid oud is, maar ook wat betreft de naam? Door de kennis van de goddelijke en menselijke zaken, en de beginselen van de oorzaken van elke zaak, verwierf ze deze zeer mooie naam bij de ouden. [...]

8) [...] In hun voetspoor vervolgens werden allen die zich toelegden op de beschouwing van de dingen als wijzen beschouwd en zo genoemd. Die naam van hen heeft zich verspreid helemaal tot aan de tijd van Pythagoras. Men vertelt dat die naar Philius gekomen is, zoals de leerling van Plato schrijft, Ponticus Heraclides, een geleerd man bij uitstek, en dat hij met Leon, de leider van de inwoners van Philius, bepaalde onderwerpen geleerd en uitvoerig besproken heeft. Toen Leon zijn verstand en welsprekenheid bewonderd had, vroeg hij op welke wetenschap hij het meest vertrouwde. Maar deze antwoordde dat hij in elk geval geen enkele wetenschap kende, maar dat hij een filosoof was. Leon die verwonderd is over de nieuwigheid van de naam vroeg wie dan toch filosofen waren, en wat het verschil is tussen hen en de overigen.

9) Pythagoras echter antwoordde dat het leven van de mensen leek te gelijken op die markt die gehouden werd met de grootste luister van spelen met een toeloop van heel Griekenland. Want zoals daar sommigen, nadat ze hun lichaam geoefend hebben, de roem en de adellijke stand nastreven verleend door de overwinningskrans, en zoals anderen geleid worden door de winst en het profijt van kopen en verkopen, zoals er verder een bepaalde soort van diegenen is -en dat is veruit de meest edele- die noch applaus noch winst zoeken, maar die komen om nauwgezet te doorzien wat er zich afspeelt en hoe. Eveneens dienen sommigen van ons de roem, anderen het geld, wij die als het ware vertrokken zijn naar een bepaalde toeloop van een markt vanuit één of andere stad, zo ook vanuit een ander leven en natuur naar dit leven. Diezelfden waren zeldzaam die na alle andere zaken niets waard geacht te hebben, de natuur der dingen nauwgezet te bekijken. Dezen noemden zich wijsgeren (dat zijn immers filosofen). En zoals het daar het voornaamst is te kijken zonder iets voor zich te verwerven, zo overtreffen in het leven de beschouwing en de kennis der dingen veruit alle streefdoelen.

10) Pythagoras echter was niet alleen de uitvinder van de naam, maar heeft ook het vakterrein zelf uitgebreid. Toen hij was aangekomen in Philius in Italië na dit gesprek, bracht hij tot eer en aanzien dat Griekenland, dat groot genoemd werd, zowel privaat en publiek door uiterst voortreffelijke instellingen en wetenschappen. Over de leer van deze zou er misschien een andere tijd zijn om erover te spreken. Maar van de oude filosofie helemaal tot aan Socrates, die de leerling was geweest van Archelaum of Anaxagora, werden de wiskunde en de theorie van de beweging behandeld, en vanwaar alles ontstond en waarheen alles terugviel. En nauwgezet werden door hen de grootte van de sterren, de tussenruimten, de banen en het hele heelal onderzocht. Socrates echter riep de filosofie als eerste uit de hemel naar beneden en plaatste ze in de steden en bracht ze zelfs binnen in de huizen en hij dwong zich om zich vragen te stellen over het leven, de zeden, en het goede en het kwade.

11) Zijn veelzijdige manier van spreken, verscheidenheid van onderwerpen en de grootheid van zijn verstand, die zijn vereeuwigd door de overlevering en geschriften van Plato, heeft meerdere generaties van oneens zijnde filosofen doen ontstaan, waaruit wij bij voorkeur die strekking hebben gevolgd, die zoals wij meenden Socrates gebruikt heeft, namelijk dat we onze eigen mening verhullen, anderen van een vergissing af helpen en in alle discussies zoeken naar wat het meest gelijkt op de waarheid.

]]>
http://www.ce3c.be/99-teksten-latijn-cicero-tusculanae-disputationes/feed/ 4
Teksten Latijn van Horatius http://www.ce3c.be/46-teksten-latijn-van-horatius/ http://www.ce3c.be/46-teksten-latijn-van-horatius/#comments Sat, 24 May 2008 15:50:20 +0000 http://www.ce3c.be/?p=46 Update 03/06: Epode 2 is toegevoegd 🙂
'k Heb nog enkele teksten uitgetypt voor mensen die er hopeloos naar op zoek waren (inclusief mijzelf).

Bij ‘Read More’ vind je volgende teksten:

Oden I. 1) Me dis miscent superis
Oden I. 4) Solvitur acris hiems
Epoden 10) Navis, ferens olentem Mevium
Oden III. 30) Exegi momentum
Oden I. 3) Nil mortalibus ardui est
Epistulae I. 4) Non tu corpus sine pectore
Oden I. 9) Vides ut alta stet…
Oden I. 11) Tu ne quaesieris
Epoden 2) Beatus ille...?

Oden I. 1) Me dis miscent superis


Maecenas, voortgebracht uit koninklijke voorouders, mijn bescherming, mijn zachte sieraad. Er zijn er die het genoegen doet om het Olympisch stof le laten opwaaien met hun renwagen en de eindpaal te vermijden met hun razendsnelle wagen (=wielen), en er zijn er die de zegepalm verheft tot bij de goden, heersers over de aarde; deze vindt er genoegen in als een massa wispelturige burgers strijdt om hem te verheffen tot het drievoudige ereambt, die vindt er zijn plezier in als hij in zijn eigen graanschuur al wat wordt samengeveegd van de Noord-Afrikaanse dorsvloeren heeft opgeborgen. Diegene die graag de vruchtbare akkers van hun vaders omwoelen met een hak, zal je zelfs met vorstelijke aanbiedingen niet kunnen overhalen om als een angstige matroos met een Cyprisch schip over de Egeïsche Zee te varen.
De handelaar die de zuidwestenwind vreest, wordstelend met de Icarische golven, prijst de vredige velden van zijn land. Maar weldra herstelt hij zijn gehavende schepen, niet van zins armoede te lijden. Er zijn er die noch een glas oud Massische wijn afslaan, noch bezwaar hebben een deel van de volle dag te stelen om nu eens languit onder een groene aardbeiboom te liggen, dan weer aan een zacht kabbelende bron met heilig water. De kampen helpen velen en het geluid van de trompetten, vermengd met kromhoorns verwensd door de moeders; de jager blijft onder de koude blote hemel zonder de gedachte aan zijn tedere vrouw, hetzij een hert door de trouwe jachtzonden is gezien, hetzij een Marsisch ever het uit stevige draden geknoopte jachtnet[ten] heeft doorgebeten.
Klimop, beloning voor dichters, brengt mij bij de hemelgoden. Mij zonderen het koele woud en de lichte reidansen van nimfen met de saters af van het gewone volk, doordat Euterpe de fluit speelt en Polyphymnia niet weigert haar Lesbische lier voor mij te stemmen. Als je mij een plaats zult geven bij de lyrische dichters, zal ik met mijn verheven hoofd de sterren raken.

Oden I. 4) Solvitur acris hiems


De scherpe winter ontdooit door de aangename terugkeer van de lente en de Favonus, de katrollen trekken de droge schepen het water in, het vee is niet meer blij in de stallen of de boer met het vuur, en de weiden zijn niet meer wit door de grijswitte rijp. Reeds leidt de Cytherische Venus de reidansen bij het schijnen van de maan, en huppelen de bevallige Gratiën, hand in hand met de nimfen, met ritmische pas op de aarde, terwijl de gloeiende Vulcanus de drukkende smidsen van de Cyclopen bezoekt. Nu eens past het om het glanzende hoofd met groene myrthe of met bloemen te bekransen, die de ontdooide aarde doet ontluiken. Dan weer past het in de schaduwrijke bossen aan Faunus te offeren, hetzij hij dat zou eisen met een lam, hetzij hij dat liever zou willen met een bokje. De bleke dood schopt met gelijke voet de hutten van de armen en de paleizen van de rijken. O, met goederen gezegende Sestius, de korte duur van het leven verbiedt ons begin te maken met lange verwachtingen. Dadelijk brengt de nacht van de dood, de veelbesproken schimmen en het ijle huis van Pluto je in het nauw. En zodra je daarheen gaat zul je niet dobbelen om het voorzitterschap bij drinkpartijen en zal je evenmin de lieflijke Lycidas bewonderen, voor wie de hele jeugd nu in vuur en vlam staat en op wie de meisjes weldra verliefd zullen zijn.

Epoden 10) Navis, ferens olentem Mevium


Het losgemaakte schip dat de stinkende Mevius vervoert vaart uit met een slecht voorteken. Auster denk eraan dat je elk van beide kanten geselt met huiveringwekkende golven. Moge de zwarte Eurus de scheepstouwen en de gebroken roeiriemen verspreiden over de omgewoelde zee. Moge een zo zware Aquilo opsteken als diegene die trillende steeneiken breekt op de hoge bergen en moge er geen gunstige ster aan de zwarte nachte verschijnen waarin de trieste Orion valt en moge hij niet varen op een rustiger zeeoppervlak dan de bende van de Griekse overwinnaars wanneer Athene haar woede keert van het verbrande Ilion (Troje) naar het goddeloze schip van Ajax. Hoeveel angstzweet bedreigt jouw matrozen en hoeveel goudgele bleekheid bedreigt jou. En dat geweeklaag dat niet past bij mannen en de smeekbeden gericht tot de afgewerkte Juppiter. Wanneer de loeiende Ionische Zee de scheepskiel heeft gebroken met de vochtige Notus. En als de vette buit uitgestrekt op het gebogen strand de meeuwen genoegen doet, dan zal een wellustig bokje en een lammetje geofferd worden voor de stormen.

Oden III. 30) Exegi momentum


Ik heb een monument voltooid, duurzamer dan brons, groter dan de ligging van de koninklijke piramiden, dat de bijtende regen, noch de razende noordenwind kan vernielen, of een reeks ontelbare jaren en de tand des tijds. Ik zal niet helemaal sterven, een groot deel van mij zal de dood vermijden. Mijn jeugdige roem zal onafgebroken groeien tot bij de nakomelingen, zolang als de priester het Capitool met de zwijgende maagd bestijgt. Men zal over mij spreken, waar de onstuimige Aufidus bruist en waar Daunus, arm van water, heerste over landelijke volkeren. Men zal zeggen dat ik, van bescheiden afkomst groot geworden, de Griekse poëzie als eerste heb aangepast aan de Latijnse versvormen. Wees trots, verworven door verdiensten, en bekrans mijn hoofd genadig met een lauwerkrans gewijd aan Apollo, Melpomene.

Oden I. 3) Nil mortalibus ardui est


Moge zo de godin, heersend over Cyprus, zo de broers van Helena, de stralende sterren en de heerser over de winden, nadat de overige winden behalve de Iapyga vastgebonden zijn, jou besturen schip, jij die aan de vertrouwde Vergilius verschuldigd bent, ik smeek je, moge je hem ongedeerd naar het Attische gebied brengen en je red de helft van mij ziel. Hij die als eerste het broze schip toevertrouwde aan de woeste zee, had eikenhout en driedubbel brons rond de borst. Hij vreesde noch de woeste Africus die een verhitte strijd voerde met de Aquilo, noch de akelige Hyaden noch de razernij van de Notus, er is geen machtiger scheidsrechter van de Adriatische Zee dan hem, hetzij hij de baren wil opzwepen, hetzij hij ze wil kalmeren. Welke nadering van de dood vreesde hij, die de zeemonsters bekeek met onverschrokken ogen, die de opgezwollen zee heeft gezien en de beruchte bliksemklippen van Acroceraunia. De god heeft in zijn wijsheid tevergeefs de Oceanus die niet bevaren mag worden en het land gescheiden, wanneer de goddeloze schepen toch varen over de golven die niet aangeraakt mogen worden. Het menselijk geslacht dat niet terugdeinst van gevaren of straffen stort zich langs de weg van verboden goddeloosheid. De roekeloze Prometheus bracht het vuur naar de mensen door onheilbrengend bedrog. Na het roven van het vuur uit het hemelse huis gingen hongersnood en een leger van nog onbekende ziekten op de aarde liggen. De trage noodzaak van de vroeger verwijderde dood verhaastte haar tred. Daedalus waagde zich in het ijle luchtruim met vleugels die niet voor de mens gegevens zijn. Het werk van Hercules forceerde de toegang tot de Acheron. Niets is lastig voor stervelingen. We bestormen de hemel zelf in onze dwaasheid en in onze misdaad dulden we niet dat de toornige Juppiter bliksems afschiet.

Epistulae I. 4) Non tu corpus sine pectore


Albius, eerlijke rechter van onze satiren, waarmee ben je nu bezig in de streek van Pedum? Iets aan het schrijven dat nog beter zou zijn dan de werkjes van Cassius Parmensis, of in gedachten verzonken aan het rondslenteren tussen de gezonde wouden, piekerend over al wat de aandacht verdient van een verstandig en goed man? Je bent geen lichaarm zonder hart en geest, de goden gaven jou schoonheid en rijkdom, en de kunst ervan te kunnen genieten. Wat zou de voedster meer kunnen wensen dan een lief pleegkind, dat wijs is en kan zeggen wat het voelt, aan wie aanzien, beroemdheid en gezondheid overvloedig te beurt valt, en aan wie een goede gezondheid en beurs niet ontbreekt. Te midden van hoop en zorg, vrees en woede, geloof dat elke dag die aanbreekt voor jou de laatste is. Het uur, waarop je niet meer zal hopen zal dan komen als een blijde verrassing. Je moet mij eens komen bezoeken, een glanzende dikkerd die goed zorg draagt voor zijn lichaam, een varkentje uit de stal van Epicurus, wanneer je wil lachen.

Oden I. 9) Vides ut alta stet…


Zie je hoe de witte Soracte omhoogrijst onder de dikke sneeuwlaag, en de bossen die gebukt gaan onder de last, de last niet meer kunnen torsen en de waterlopen dichtgevroren zijn door de strenge vorst. Verdrijf de koude door rijkelijk houtsblokken te leggen op de haard, en schenk royaler dan gewoonlijk, vier jaar oude onversneden Sabijnse wijn uit de kruik, o Thaliarchus. Laat de rest over aan de goden: zodra die de winden hebben bedaard, die een hevige strijd leveren met het woeste zeeoppervlak, worden noch de cipressen noch de oude essen doorheen geschud. Zoek niet naar wat morgen zal gebeuren en tel elke dag die het lot zal geven als winst. En wijs de zoete liefdes niet af zolang je nog jong bent, noch de reidansen. Zolang de prikkelbare oude dag verwijderd is terwijl je jong bent. Nu moet het Marsveld worden opgezocht en de pleintjes en het zachte gefluister bij valavond op het afgesproken uur. Nu ook het aangename lachen van het verborgen meisje dat haar verraadt uit haar verborgen schuilhoek, en een pand, ontfutseld van een arm of een vinger die slechts schijnbaar tegenstribbelt.

Oden I. 11) Tu ne quaesieris


Zoek niet welk einde de goden aan jou en mij hebben gegeven (het is goddeloos het te weten), naïef meisje, en beproef de berekeningen van de Babylonische astrologen niet. Hoeveel beter is het al wat zal zijn, te aanvaarden! Hetzij Juppiter meerdere winters verleent, hetzij hij deze winters als laatste gegeven heeft, die nu het geweld van de Tyrrheense zee stuit door de tegenstand van de rotsen. Wees wijs, maak de wijn helder en snijd een lange verwachting af aangezien het leven van korte duur is. Terwijl we spreken, zal de jaloerse tijd gevlucht zijn: pluk de dag, zo weinig mogelijk vertrouwend op de volgende dagen.

Epode 2) Beatus ille...?


Gelukkig is diegene die ver van het zakendoen de vaderlijke gronden bewerkt, zoals de vroegere generatie met zijn eigen runderen, losgemaakt van alle woeker. Hij wordt niet opgeschrikt door de scherpe krijgstrompet als een soldaat, hij huivert niet voor de woeste zee. Hij mijdt het forum en de drempels van hoogmoedige machtige burgers. Hij doet een wijnrank met volgroeide stek opleiden langs hoge populieren. Of hij kijkt neer over een zwervende kudde loeiende koeien in een afgelegen vallei. Of hij ent er vruchtbaardere op terwijl hij nutteloze takken afsnijdt met zijn snoeimes. Of hij bergt geperste honing op in zuivere kruiken of hij scheert de makke schapen. Of, wanneer de herfst zijn hoofd, gesierd met rijpe vruchten, uitstak boven de velden. Hoe beleeft hij vreugde terwijl hij de verdelde peren afplukt, en de druif, wedijverend met het purper om jou er mee te begiftigen, Priapus, en jou, vader Silvanus, beschermer van de gebieden. Het doet genoegen nu eens onder een oude steeneik te liggen, een andere keer in het dichte gras. Het water glijdt ondertussen langs de hoge oevers, de vogels zingen in de bossen en het lover ruist tegen het vloeiende heldere water, hetgeen uitnodigt tot een rustige slaap. Maar wanneer het winterjaargetijde van de donderende Juppiter stortbuien en sneeuwvlagen met zich meebrengt, dan drijft hij de woeste evers links en rechts vooruit met vele jachthonden in jachtnetten die de weg versperren, dan spant hij met een gladde stang de netten met wijde mazen als list voor de gulzige lijsters. En de lepe haas en de uitheemse kraanvogel vangt hij met een strik als aangename beloningen. Die vergeet tijdens deze bezigheden de pijnlijke zorgen die de verliefdheid met zich meebrengt? En als bovendien een eerbare vrouw van haar kant het genoegen zou vinden in het huis en de zoete kinderen, zoals een Sabijnse vrouw of de echtgenote van een werkzame Appuliër, bruingebrand door de zonnestralen, en indien ze de heilige haard met droge houtsblokken opstapelt, tegen het ogenblik van de komst van haar moegewerkte man, en als ze het welige vee opsluit in de gevlochten rasteringen en de volle uiers melkt, en wanneer ze eenjarige wijn tevoorschijn haalt uit een vat met zoete wijn, en indien ze een zelfgemaakte maaltijd klaarmaakt: dan zouden oesters uit het Lucrinus-meer, tarbot of papegaaivissen me niet meer genoegen doen, als een storm die gedonderd is over de golven uit het oosten er enkele naar deze zee drijft, dan zou noch een parelhoen, noch een hazelhoen afdalen in mijn maag met meer plezier, dan een olijf uitgekozen van de weligste takken van de bomen, of zuring die van weiden houdt, en kaasjeskruid, gezond voor een lichaam met slechte spijsvertering, of een lam, gedood voor het Terminaliënfeest, of een bokje, ontrukt aan een wolf. Hoe doet het genoegen de goed gevoederde ooien te zien tijdens dit feestmaal die zich naar huis haasten, de vermoeide runderen te zien die de omgekeerde ploegschaat trekken met lome nek, en de uitgestrekte slaven, een groep van het rijke huis, rond de glanzende huisgoden. Wanneer de woekeraar Alfius dit gesproken heeft, in zijn gedachten al bijna boer, inde hij zijn geld tot de laatste cent op de 13e van de maand (=Iden), maar op de eerste dag vab de maand (=Kalenden) zocht hij het te beleggen.

]]>
http://www.ce3c.be/46-teksten-latijn-van-horatius/feed/ 2
Teksten Latijn uit ‘Nulla poena sine lege’ http://www.ce3c.be/44-nulla-poena-sine-lege/ http://www.ce3c.be/44-nulla-poena-sine-lege/#comments Thu, 20 Mar 2008 15:21:33 +0000 http://www.ce3c.be/2008,03,20/nulla-poena-sine-lege/ Ik zit me voor het moment blind te staren op Latijnse teksten (examen morgen). Dus ik dacht.. ik zet ze maar even online voor de volgende generatie 🙂

Bij 'Read More' vind je tekst 1, 2, 3, 4, 5, 6, 12, 15, 17, 18 en 19.

Tekst 1: Romeinse wetgeving
Tekst 2: Privaat- en publiekrecht
Tekst 3: De drie verschillende "jura"
Tekst 4: Slaaf of vrij
Tekst 5: Erfenis of testament
Tekst 6: Res corporales / incorporales
Tekst 12: Wat is een verbintenis?
Tekst 15: Trouwen
Tekst 17: Oog om oog...
Tekst 18: Bestraffing van injuriae
Tekst 19: De 'lex Aquilia'

Download .pdf van 'Nulla poena sine lege'

I. 1) Romeinse wetgeving

Verder bestaan de rechten van het Romeinse volk uit wetten, plebiscieten, senaatsbesluiten, beslissingen van de keizers, edicten van hen die het recht hebben ze uit te vaardigen en adviezen van rechtsgeleerden. Een wet is wat het volk beveelt en beslist. Een senaatsbesluit is wat de senaat beveelt en beslist en dat verkrijgt de rol van wet, hoewel het in vraag gesteld is. De beslissing van de keizer is wat de keizer door een decreet, edict of brief beslist. Er is nooit aan getwijfeld dat dit kracht van wet verkrijgt, aangezien de keizer zelf door de wet het oppergezag verkrijgt. De magistraten van het Romeinse volk hebben echter het recht om wetten uit te vaardigen. Maar het meest uitgebreide recht ligt in de verordeningen van twee pretoren, de stads- en vreemdelingenpretor, wiens rechtspraak de gouverneurs hebben in hun provincies. De adviezen van rechtsgeleerden zijn meningen en beslissingen van hen voor wie het toegelaten is wetten op te stellen. Als de meningen van al dezen gelijk lopen in één, verkrijgt datgene wat ze aldus menen kracht van wet. Maar als ze het niet eens zijn, is het toegestaan voor de rechter de mening te volgen die hij wilt, en dit wordt beslist met een bevelschrift van de heilige Hadrianus.

I. 2) Privaat- en publiekrecht

Er zijn twee delen van deze studie: het publiek- en privaatrecht. Het publiekrecht is wat te maken heeft met de inrichting van de Romeinse staat. Het privaatrecht is wat te maken heeft met het belang van individuen: sommige dingen zijn immers nuttig voor staatszaken, andere voor individueel belang. Het publiekrecht bestaat uit gewijde zaken, tempelrechters en de pontifex maximus. Het privaatrecht is driedelig: het verzamelde bestaat immers uit natuurlijke voorschriften, uit het jus gentium en het just civile.

I. 3) De drie verschillende “jura”

Het jus naturale is wat de natuur heeft geleerd aan alle levende wezens, want dat recht is niet eigen aan het menselijk geslacht, maar aan alle wezens die in de hemel, land en in de zee geboren worden. Alle volkeren die worden geregeerd door wetten en voorschriften, gebruiken het recht dat gedeeltelijk eigen is aan hunzelf, gedeeltelijk het voor alle mensen gemeenschappelijk recht. Want wat ieder volk als recht voor zichzelf beslist, dat is eigen aan het volk zelf en wordt het jus civile genoemd, omdat het recht eigen is aan de burgerstaat. Wat echter de natuurlijke rede tussen alle mensen beslist, dat bij alle volkeren op gelijke wijze wordt bewaakt, wordt het jus gentium genoemd omdat elk volk dat recht gebruikt. En zo gebruikt het Romeins volk deels het recht eigen aan zichzelf, deels het voor alle mensen gemeenschappelijke recht.

III. 4) Slaaf of vrij

Zo is de belangrijkste onderverdeling van het personenrecht dat alle mensen of vrij of slaven zijn. De vrijheid is de natuurlijke mogelijkheid om datgene te doen wat men graag doet, tenzij dit verhinderd wordt door een kracht of een wet. Slavernij is echter een regeling van het jus gentium, waardoor iemand tegen de natuur in onderworpen wordt aan het eigendomsrecht van een ander. Verder worden ‘slaven’ zo genoemd, omdat de bevelhebbers de gewoonte hebben krijsgevangenen te verkopen en hierdoor te “bewaren” en niet te doden. Die worden ook slaven genoemd omdat ze door de hand van de vijand gegrepen worden. Slaaf wordt men verder bij de geboorte of bekomt men later. Ze worden geboren uit onze slavinnen. Of ze worden het volgens het jus gentium, dit is ten gevolge van krijgsgevangenschap, of volgens het burgerrecht. In de rechtspositie van slaven bestaat geen enkel verschil. Onder de vrijen bestaan vele verschillen: ze zijn immers of vrijgeboren of vrijgelaten. Een vrijgeborene is diegene die, dadelijk zodra hij geboren is, vrij is, hetzij voortgebracht uit een huwelijk tussen twee vrijgeborenen, hetzij uit een huwelijk tussen twee vrijgelatenen, hetzij uit een huwelijk tussen een vrijgelatene en een vrijgeborene. Maar ook als iemand geboren wordt uit een vrije moeder, terwijl de vader slaaf is, wordt hij niettemin als vrijgeborene gebaard. Het volstaat echter dat de moeder vrij was op het moment waarop het geboren werd, ook al is ze als slavin zwanger geworden. En in het omgekeerde geval, als ze zwanger is geworden als vrije vrouw en vervolgens als slavin het kind baarde, oordeelde men dat het kind vrij ter wereld kwam, omdat het onheil van de moeder, hij die in de baarmoeder zit, niet mag schaden. Vrijgelatenen zijn zij die uit rechtmatige slavernij zijn vrijgelaten. Verder is “Manumissio” het verlenen van de vrijheid.

III. 5) Erfenis en testament

De erfenis is niets anders dan de opvolging in alle rechten die de overledene heeft gehad. Het verwekt kind wordt reeds beschouwd als een geborene telkens het gaat over zijn voordelen. Zolang als een erfenis aanvaard kan worden op grond van een testament, wordt ze niet overgedragen bij versterf.

III. 6) Res corporales / incorporales

Lichamelijk zijn die dingen die kunnen aangeraakt worden, zoals een landgoed, een slaaf, een kledingstuk, goud, geld en tenslotte ontelbare andere zaken. Onlichamelijk zijn die dingen die niet aangeraakt kunnen worden, zoals zaken die bestaan uit een recht, zoals het erfrecht, vruchtgebruik, verbintenissen, afgesloten op welke manier dan ook.

III. 12) Wat is een verbintenis ?

Een verbintenis is een gerechtelijke band, waardoor we noodzakelijkerwijs verplicht worden een of andere zaak te betalen volgens onze burgerrechten. Een overeenkomst maakt een wet. Afspraken moeten nageleefd worden. Er is geen enkele verbintenis tot onmogelijke dingen.

III. 15) Trouwen

Niet de paring brengt een huwelijk tot stand, maar de huwelijksbereidheid.

IV. 17) Oog om oog…

Als iemand een lichaamsdeel gebroken heeft, moet er een wedervergelding zijn, tenzij hij (de dader) een overeenkomst heeft getroffen met hem (het slachtoffer).

IV. 18) Bestraffing van injuriae

Maar de boete wegens een gebroken of verbrijzeld bot bedroeg 300 as, wanneer de gewonde een vrij persoon was, en slaaf, 150 as. En die geldboetes schenen in die tijd van grote armoede voldoende doeltreffend. Maar nu gebruiken we een ander recht. Het wordt ons immers toegestaan door de pretor het onrecht zelf te schatten, en de rechter veroordeelt tot zoveel wij hebben geschat, of minder, naarmate het hem goeddunkt.
Maar de pretor is gewoon vreselijk onrecht te schatten en de hoewel de rechter kan veroordelen tot minder, durft hij toch meestal de veroordeling niet te verminderen wegens het gezag van de pretor zelf. Een grove daad wordt echter ofwel geschat naar het feit -bijvoorbeeld als iemand door een ander is verwond of geslagen of is bewerkt met knuppelslagen- ofwel geschat naar de plaats -bijvoorbeeld als iemand in het theater of op het forum onrecht aangedaan is- ofwel geschat naar de persoon -bijvoorbeeld als een magistraat een onrechtmatige daad heeft ondervonden of er een onrechtmatigheid is aangedaan aan een senator door een persoon van lage rang.

IV. 19) De ‘lex Aquilia’

Als iemand mijn huurkazerne in brand heeft willen steken, en het vuur ook bij huurkazerne van mijn buur reikte, zal hij ook aansprakelijk gesteld worden door de lex Aquilia tegenover mijn buur: hij zal ook niet minder aansprakelijk gesteld worden tegenover de huurders wegens hun verbrande bezittingen.
Mela schrijft dat, als, wanneer sommigen met een bal speelden, en iemand de bal te hevig geslagen heeft en hem deed terechtkomen op de handen van de barbier en zo de keel van de slaaf, die de barbier onder handen had, afgesneden heeft nadat het hij het mesje had aangebracht, dan wordt bij al wie van hen de schuld ligt, hij aansprakelijk gesteld volgens de lex Aquilia. Proculus schrijft dat de schuld bij de barbier ligt: en zeker als hij daar scheerde, waar naar gewoonte gespeeld wordt of waar regelmatig verkeer was, is er reden om de schuld toe te schrijven aan hem: hoewel dat niet ten onrechte wordt gezegd, als iemand zichzelf toevertrouwt aan een barbier die zijn scheerstoel heeft staan op een gevaarlijke plaats.

Download .pdf van 'Nulla poena sine lege'

]]>
http://www.ce3c.be/44-nulla-poena-sine-lege/feed/ 24