Update 03/06: Epode 2 is toegevoegd :)
'k Heb nog enkele teksten uitgetypt voor mensen die er hopeloos naar op zoek waren (inclusief mijzelf).

Bij ‘Read More’ vind je volgende teksten:

Oden I. 1) Me dis miscent superis
Oden I. 4) Solvitur acris hiems
Epoden 10) Navis, ferens olentem Mevium
Oden III. 30) Exegi momentum
Oden I. 3) Nil mortalibus ardui est
Epistulae I. 4) Non tu corpus sine pectore
Oden I. 9) Vides ut alta stet…
Oden I. 11) Tu ne quaesieris
Epoden 2) Beatus ille...?

Oden I. 1) Me dis miscent superis


Maecenas, voortgebracht uit koninklijke voorouders, mijn bescherming, mijn zachte sieraad. Er zijn er die het genoegen doet om het Olympisch stof le laten opwaaien met hun renwagen en de eindpaal te vermijden met hun razendsnelle wagen (=wielen), en er zijn er die de zegepalm verheft tot bij de goden, heersers over de aarde; deze vindt er genoegen in als een massa wispelturige burgers strijdt om hem te verheffen tot het drievoudige ereambt, die vindt er zijn plezier in als hij in zijn eigen graanschuur al wat wordt samengeveegd van de Noord-Afrikaanse dorsvloeren heeft opgeborgen. Diegene die graag de vruchtbare akkers van hun vaders omwoelen met een hak, zal je zelfs met vorstelijke aanbiedingen niet kunnen overhalen om als een angstige matroos met een Cyprisch schip over de Egeïsche Zee te varen.
De handelaar die de zuidwestenwind vreest, wordstelend met de Icarische golven, prijst de vredige velden van zijn land. Maar weldra herstelt hij zijn gehavende schepen, niet van zins armoede te lijden. Er zijn er die noch een glas oud Massische wijn afslaan, noch bezwaar hebben een deel van de volle dag te stelen om nu eens languit onder een groene aardbeiboom te liggen, dan weer aan een zacht kabbelende bron met heilig water. De kampen helpen velen en het geluid van de trompetten, vermengd met kromhoorns verwensd door de moeders; de jager blijft onder de koude blote hemel zonder de gedachte aan zijn tedere vrouw, hetzij een hert door de trouwe jachtzonden is gezien, hetzij een Marsisch ever het uit stevige draden geknoopte jachtnet[ten] heeft doorgebeten.
Klimop, beloning voor dichters, brengt mij bij de hemelgoden. Mij zonderen het koele woud en de lichte reidansen van nimfen met de saters af van het gewone volk, doordat Euterpe de fluit speelt en Polyphymnia niet weigert haar Lesbische lier voor mij te stemmen. Als je mij een plaats zult geven bij de lyrische dichters, zal ik met mijn verheven hoofd de sterren raken.

Oden I. 4) Solvitur acris hiems


De scherpe winter ontdooit door de aangename terugkeer van de lente en de Favonus, de katrollen trekken de droge schepen het water in, het vee is niet meer blij in de stallen of de boer met het vuur, en de weiden zijn niet meer wit door de grijswitte rijp. Reeds leidt de Cytherische Venus de reidansen bij het schijnen van de maan, en huppelen de bevallige Gratiën, hand in hand met de nimfen, met ritmische pas op de aarde, terwijl de gloeiende Vulcanus de drukkende smidsen van de Cyclopen bezoekt. Nu eens past het om het glanzende hoofd met groene myrthe of met bloemen te bekransen, die de ontdooide aarde doet ontluiken. Dan weer past het in de schaduwrijke bossen aan Faunus te offeren, hetzij hij dat zou eisen met een lam, hetzij hij dat liever zou willen met een bokje. De bleke dood schopt met gelijke voet de hutten van de armen en de paleizen van de rijken. O, met goederen gezegende Sestius, de korte duur van het leven verbiedt ons begin te maken met lange verwachtingen. Dadelijk brengt de nacht van de dood, de veelbesproken schimmen en het ijle huis van Pluto je in het nauw. En zodra je daarheen gaat zul je niet dobbelen om het voorzitterschap bij drinkpartijen en zal je evenmin de lieflijke Lycidas bewonderen, voor wie de hele jeugd nu in vuur en vlam staat en op wie de meisjes weldra verliefd zullen zijn.

Epoden 10) Navis, ferens olentem Mevium


Het losgemaakte schip dat de stinkende Mevius vervoert vaart uit met een slecht voorteken. Auster denk eraan dat je elk van beide kanten geselt met huiveringwekkende golven. Moge de zwarte Eurus de scheepstouwen en de gebroken roeiriemen verspreiden over de omgewoelde zee. Moge een zo zware Aquilo opsteken als diegene die trillende steeneiken breekt op de hoge bergen en moge er geen gunstige ster aan de zwarte nachte verschijnen waarin de trieste Orion valt en moge hij niet varen op een rustiger zeeoppervlak dan de bende van de Griekse overwinnaars wanneer Athene haar woede keert van het verbrande Ilion (Troje) naar het goddeloze schip van Ajax. Hoeveel angstzweet bedreigt jouw matrozen en hoeveel goudgele bleekheid bedreigt jou. En dat geweeklaag dat niet past bij mannen en de smeekbeden gericht tot de afgewerkte Juppiter. Wanneer de loeiende Ionische Zee de scheepskiel heeft gebroken met de vochtige Notus. En als de vette buit uitgestrekt op het gebogen strand de meeuwen genoegen doet, dan zal een wellustig bokje en een lammetje geofferd worden voor de stormen.

Oden III. 30) Exegi momentum


Ik heb een monument voltooid, duurzamer dan brons, groter dan de ligging van de koninklijke piramiden, dat de bijtende regen, noch de razende noordenwind kan vernielen, of een reeks ontelbare jaren en de tand des tijds. Ik zal niet helemaal sterven, een groot deel van mij zal de dood vermijden. Mijn jeugdige roem zal onafgebroken groeien tot bij de nakomelingen, zolang als de priester het Capitool met de zwijgende maagd bestijgt. Men zal over mij spreken, waar de onstuimige Aufidus bruist en waar Daunus, arm van water, heerste over landelijke volkeren. Men zal zeggen dat ik, van bescheiden afkomst groot geworden, de Griekse poëzie als eerste heb aangepast aan de Latijnse versvormen. Wees trots, verworven door verdiensten, en bekrans mijn hoofd genadig met een lauwerkrans gewijd aan Apollo, Melpomene.

Oden I. 3) Nil mortalibus ardui est


Moge zo de godin, heersend over Cyprus, zo de broers van Helena, de stralende sterren en de heerser over de winden, nadat de overige winden behalve de Iapyga vastgebonden zijn, jou besturen schip, jij die aan de vertrouwde Vergilius verschuldigd bent, ik smeek je, moge je hem ongedeerd naar het Attische gebied brengen en je red de helft van mij ziel. Hij die als eerste het broze schip toevertrouwde aan de woeste zee, had eikenhout en driedubbel brons rond de borst. Hij vreesde noch de woeste Africus die een verhitte strijd voerde met de Aquilo, noch de akelige Hyaden noch de razernij van de Notus, er is geen machtiger scheidsrechter van de Adriatische Zee dan hem, hetzij hij de baren wil opzwepen, hetzij hij ze wil kalmeren. Welke nadering van de dood vreesde hij, die de zeemonsters bekeek met onverschrokken ogen, die de opgezwollen zee heeft gezien en de beruchte bliksemklippen van Acroceraunia. De god heeft in zijn wijsheid tevergeefs de Oceanus die niet bevaren mag worden en het land gescheiden, wanneer de goddeloze schepen toch varen over de golven die niet aangeraakt mogen worden. Het menselijk geslacht dat niet terugdeinst van gevaren of straffen stort zich langs de weg van verboden goddeloosheid. De roekeloze Prometheus bracht het vuur naar de mensen door onheilbrengend bedrog. Na het roven van het vuur uit het hemelse huis gingen hongersnood en een leger van nog onbekende ziekten op de aarde liggen. De trage noodzaak van de vroeger verwijderde dood verhaastte haar tred. Daedalus waagde zich in het ijle luchtruim met vleugels die niet voor de mens gegevens zijn. Het werk van Hercules forceerde de toegang tot de Acheron. Niets is lastig voor stervelingen. We bestormen de hemel zelf in onze dwaasheid en in onze misdaad dulden we niet dat de toornige Juppiter bliksems afschiet.

Epistulae I. 4) Non tu corpus sine pectore


Albius, eerlijke rechter van onze satiren, waarmee ben je nu bezig in de streek van Pedum? Iets aan het schrijven dat nog beter zou zijn dan de werkjes van Cassius Parmensis, of in gedachten verzonken aan het rondslenteren tussen de gezonde wouden, piekerend over al wat de aandacht verdient van een verstandig en goed man? Je bent geen lichaarm zonder hart en geest, de goden gaven jou schoonheid en rijkdom, en de kunst ervan te kunnen genieten. Wat zou de voedster meer kunnen wensen dan een lief pleegkind, dat wijs is en kan zeggen wat het voelt, aan wie aanzien, beroemdheid en gezondheid overvloedig te beurt valt, en aan wie een goede gezondheid en beurs niet ontbreekt. Te midden van hoop en zorg, vrees en woede, geloof dat elke dag die aanbreekt voor jou de laatste is. Het uur, waarop je niet meer zal hopen zal dan komen als een blijde verrassing. Je moet mij eens komen bezoeken, een glanzende dikkerd die goed zorg draagt voor zijn lichaam, een varkentje uit de stal van Epicurus, wanneer je wil lachen.

Oden I. 9) Vides ut alta stet…


Zie je hoe de witte Soracte omhoogrijst onder de dikke sneeuwlaag, en de bossen die gebukt gaan onder de last, de last niet meer kunnen torsen en de waterlopen dichtgevroren zijn door de strenge vorst. Verdrijf de koude door rijkelijk houtsblokken te leggen op de haard, en schenk royaler dan gewoonlijk, vier jaar oude onversneden Sabijnse wijn uit de kruik, o Thaliarchus. Laat de rest over aan de goden: zodra die de winden hebben bedaard, die een hevige strijd leveren met het woeste zeeoppervlak, worden noch de cipressen noch de oude essen doorheen geschud. Zoek niet naar wat morgen zal gebeuren en tel elke dag die het lot zal geven als winst. En wijs de zoete liefdes niet af zolang je nog jong bent, noch de reidansen. Zolang de prikkelbare oude dag verwijderd is terwijl je jong bent. Nu moet het Marsveld worden opgezocht en de pleintjes en het zachte gefluister bij valavond op het afgesproken uur. Nu ook het aangename lachen van het verborgen meisje dat haar verraadt uit haar verborgen schuilhoek, en een pand, ontfutseld van een arm of een vinger die slechts schijnbaar tegenstribbelt.

Oden I. 11) Tu ne quaesieris


Zoek niet welk einde de goden aan jou en mij hebben gegeven (het is goddeloos het te weten), naïef meisje, en beproef de berekeningen van de Babylonische astrologen niet. Hoeveel beter is het al wat zal zijn, te aanvaarden! Hetzij Juppiter meerdere winters verleent, hetzij hij deze winters als laatste gegeven heeft, die nu het geweld van de Tyrrheense zee stuit door de tegenstand van de rotsen. Wees wijs, maak de wijn helder en snijd een lange verwachting af aangezien het leven van korte duur is. Terwijl we spreken, zal de jaloerse tijd gevlucht zijn: pluk de dag, zo weinig mogelijk vertrouwend op de volgende dagen.

Epode 2) Beatus ille...?


Gelukkig is diegene die ver van het zakendoen de vaderlijke gronden bewerkt, zoals de vroegere generatie met zijn eigen runderen, losgemaakt van alle woeker. Hij wordt niet opgeschrikt door de scherpe krijgstrompet als een soldaat, hij huivert niet voor de woeste zee. Hij mijdt het forum en de drempels van hoogmoedige machtige burgers. Hij doet een wijnrank met volgroeide stek opleiden langs hoge populieren. Of hij kijkt neer over een zwervende kudde loeiende koeien in een afgelegen vallei. Of hij ent er vruchtbaardere op terwijl hij nutteloze takken afsnijdt met zijn snoeimes. Of hij bergt geperste honing op in zuivere kruiken of hij scheert de makke schapen. Of, wanneer de herfst zijn hoofd, gesierd met rijpe vruchten, uitstak boven de velden. Hoe beleeft hij vreugde terwijl hij de verdelde peren afplukt, en de druif, wedijverend met het purper om jou er mee te begiftigen, Priapus, en jou, vader Silvanus, beschermer van de gebieden. Het doet genoegen nu eens onder een oude steeneik te liggen, een andere keer in het dichte gras. Het water glijdt ondertussen langs de hoge oevers, de vogels zingen in de bossen en het lover ruist tegen het vloeiende heldere water, hetgeen uitnodigt tot een rustige slaap. Maar wanneer het winterjaargetijde van de donderende Juppiter stortbuien en sneeuwvlagen met zich meebrengt, dan drijft hij de woeste evers links en rechts vooruit met vele jachthonden in jachtnetten die de weg versperren, dan spant hij met een gladde stang de netten met wijde mazen als list voor de gulzige lijsters. En de lepe haas en de uitheemse kraanvogel vangt hij met een strik als aangename beloningen. Die vergeet tijdens deze bezigheden de pijnlijke zorgen die de verliefdheid met zich meebrengt? En als bovendien een eerbare vrouw van haar kant het genoegen zou vinden in het huis en de zoete kinderen, zoals een Sabijnse vrouw of de echtgenote van een werkzame Appuliër, bruingebrand door de zonnestralen, en indien ze de heilige haard met droge houtsblokken opstapelt, tegen het ogenblik van de komst van haar moegewerkte man, en als ze het welige vee opsluit in de gevlochten rasteringen en de volle uiers melkt, en wanneer ze eenjarige wijn tevoorschijn haalt uit een vat met zoete wijn, en indien ze een zelfgemaakte maaltijd klaarmaakt: dan zouden oesters uit het Lucrinus-meer, tarbot of papegaaivissen me niet meer genoegen doen, als een storm die gedonderd is over de golven uit het oosten er enkele naar deze zee drijft, dan zou noch een parelhoen, noch een hazelhoen afdalen in mijn maag met meer plezier, dan een olijf uitgekozen van de weligste takken van de bomen, of zuring die van weiden houdt, en kaasjeskruid, gezond voor een lichaam met slechte spijsvertering, of een lam, gedood voor het Terminaliënfeest, of een bokje, ontrukt aan een wolf. Hoe doet het genoegen de goed gevoederde ooien te zien tijdens dit feestmaal die zich naar huis haasten, de vermoeide runderen te zien die de omgekeerde ploegschaat trekken met lome nek, en de uitgestrekte slaven, een groep van het rijke huis, rond de glanzende huisgoden. Wanneer de woekeraar Alfius dit gesproken heeft, in zijn gedachten al bijna boer, inde hij zijn geld tot de laatste cent op de 13e van de maand (=Iden), maar op de eerste dag vab de maand (=Kalenden) zocht hij het te beleggen.